mengen-en-roeren-2

Lakken & Verven, Siccatief voor kunstharslakken, Hittevaste lakverf en meer ...


Lakken & verven
Waarschijnlijk hebben verschillende oude volkeren reeds harsachtig opdrogende sappen uit boomen en planten gebruikt, om het oppervlak van hun gebruiksvoorwerpen glad en glanzend te maken, tenminste te oordelen naar de Egyptische mummies en enige andere vondsten. In het algemeen moet men echter aannemen, dat de eigenlijke lak en de techniek van het lakken in China en Japan uitgevonden werden. Bijna alle gebruiksvoorwerpen in Japan, te beginnen met de keizerlijke troon en eindigend met de eenvoudigste eetnap, zijn gelakt.

De eerste berichten over de kunst van het lakken vinden we onder keizer Jimnu in de jaren van 560 tot 581 voor Chr. En in het jaar 292 voor Chr. was Mitsu-ne-no de chef van het keizerlijke lakinstituut. De bekende rode Japanse lak werd in het jaar 673 uitgevonden, terwijl de bekende in rode en zwarte lak gesneden lakdoezen uit China in Japan ingevoerd werden ongeveer in de 16e eeuw. Onder keizer Go-Noezei bloeide de kunst van het lakken enorm op en van die tijd tot tegenwoordig wordt in Japan nog precies volgens dezelfde methode het fraaiste lakwerk uitgevoerd.

Het aantal bewerkingen voor het maken van het echte ]apanse lakwerk is enorm groot. Men brengt dunne laklaagjes op en na het drogen wordt ieder laagje met houtskoolpoeder of tripel glad geslepen. De bewerking wordt net zo vaak herhaald tot het oppervlak voldoende glad is.

De gebruikte echte Japanse lak is een zuiver natuurproduct. Het bestaat uit het sap van de lakboom, Rhus vernicifera, dat gewonnen wordt door in de stam van de boom horizontale kerven aan te brengen. Het sap is in het begin melkwit, wordt aan de lucht langzamerhand bruin en moet ook zo spoedig mogelijk ingezameld worden. Het melksap wordt dan eerst door een bepaalde soort dik papier gefiltreerd, om verontreinigingen te verwijderen, waarna men het in lage schalen aan de lucht laat staan. Hierbij verdampt het grootste deel van het water, dat het sap bevat en de lak wordt taaier en elastischer. Voor het maken van zwarte lak moet het product voortdurend omgeroerd worden.

De lak droogt nu nog mat op; hierom wordt ijzerhoudend water toegevoegd. De lak zelf droogt zeer langzaam en alleen in lucht van een bepaalde vochtigheidsgraad bij niet te hoge temperatuur. Het allerfijnste lakwerk schijnt op schepen op zee gemaakt te worden, om op deze wijze het stoffig worden te verhinderen.

Terwijl men dus in Azië sinds onheuglijke tijden over een uitstekend onovertrefbaar natuurlijk materiaal beschikte, was men in Europa minder gelukkig. Hier en daar wordt er beweerd, dat de Grieksche schilder Appelles ongeveer 400 jaar voor Chr. reeds over een soort vernis beschikte, zeker is dat pas in de 12e eeuw de monnik Theophilus voorschriften voor de bereiding van lijnolievernis opgaf. Ook is het zeker dat de grote vioolbouwers Stradivarius en Amati zulke goede lakken maakten, waarvan de prachtige toon van hun instrumenten in hoge mate afhing.

HEBBEDINGEN

Waarschijnlijk hebben we hier in West-Europa voor het eerst echte lak in de vorm van het Japanse lakwerk leren kennen en nadat men schellak, Sandarac, colophonium en lijnolie ter beschikking kreeg, trachtte men ook de eigen gebruiksvoorwerpen te lakken. In de 17e eeuw vinden we een boek, dat niet alleen recepten voor spirituslakken, doch ook reeds voor echte vette lakken, lijnolielakken, opgeeft. Ook vele meubelen uit deze tijd dragen reeds de sporen van olielakken.

Het eerste lakwerk werd in ons land uitgevoerd en was een imitatie van het Japanse. De gebruikte lak werd door een schilder in Rotterdam gemaakt, die zijn methode lange tijd absoluut geheim gehouden heeft.

De voorwerpen, gewoonlijk dozen, werden eerst een paar maal gelakt en iedere laag werd zorgvuldig gedroogd. In de laatste nog kleverige laag legde men dan figuren van paarlemoer. Deze figuren werden uit dunne plaatjes uitgezaagd. Figuren, die dikwijls herhaald werden, werden uitgestanst. Hierna werd het voorwerp bij hogere temperatuur gedroogd, waardoor de ondergrond en ook het paarlemoer gelijkmatig hard werden. Dan werd het geheel enige keren overgelakt en werden telkens de hoogste plaatsen, dus waar het paarlemoer zat, afgeslepen. Tenslotte bleven dus van het paarlemoer slechts uiterst dunne laagjes over, terwijl de tussenruimte geheel met lak opgevuld was. Wanneer het oppervlak dan geheel glad was, werd gepolijst. Verder werd ook met bladgoud of met goudpoeder verguld, waarbij men het vergulde dan dikwijls verhoogd liet staan, dus in relief. Het is duidelijk, dat men volgens deze methode, die in principe dezelfde is als in Japan, ook even fraai werk kon leveren. De duurzaamheid was minder goed, daar men niet over de niet te evenaren Japanse lak beschikte.

Hierna begon men in Engeland gelakte artikelen in het groot te fabriceeren, die onder de naam Japanned goods in de handel kwamen. Weer later begon men ook in Duitsland met gelakte dozen, die ook gedeeltelijk zeer fraai uitgevoerd werden.

De stijgende behoeften van het volk waren de oorzaak dat steeds grotere hoeveelheden lak verwerkt moesten worden en nu begint de tijd waarin het maken van lak het werk van bepaalde fabrieken wordt. De handwerkslieden, kastenmakers en draaiers, kunnen de lak niet meer zelf in voldoende hoeveelheden maken en van 1790 tot 1830 ontstaan in de verschillende landen lakfabrieken.

De Engelsche lakfabrieken waren de eerste, die er in slaagden de kwaliteit van hun producten tot het hoogste op te voeren en dientengevolge was tot voor betrekkelijk korte tijd de naam Engelsche lak gelijkluidend met eerste kwaliteit. Tegenwoordig beschikt ook ons land over lakfabrieken, waarvan hun producten die van de Engelse lakfabrieken minstens evenaren.

Terwijl de harsen die in spiritus oplosbaar zijn, bij gewone temperatuur in een eenvoudig rolvat of in een eenvoudige kuip met roerder opgelost kunnen worden, is voor het oplossen van de meeste harsen in lijnolie een vrij moeilijke bewerking, het uitsmelten, noodzakelijk. Gewoon colophonium lost zonder meer in lijnolie op, ook nog de hieruit gemaakte harsester en kalkhars. Deze lakken zijn echter minderwaardig en blijven na het drogen kleverig. De harde natuurlijke harsen, die zolang in de grond gelegen hebben dat ze minder goed oplosbaar of geheel onoplosbaar geworden zijn, moeten eerst op hoge temperatuur verhit worden voor men ze met lijnolie samen kan smelten.

Deze fossiele harsen, waartoe het bekende barnsteen en de verschillende copalsoorten behoren, bestaan uit zulke grote moleculen, dat ze niet meer in olie oplossen. Men moet zich voorstellen, dat gedurende de duizenden en tienduizenden jaren de oorspronkelijke moleculen, zoals we ze nu nog in gewone dennenhars hebben, samengegroeid zijn tot ontzaglijk grote moleculen. We kennen ook bepaalde copallen, die we in alle tussentoestanden vinden; de jonge zijn goed in spiritus oplosbaar, de minder jonge lossen niet meer geheel op, doch bevatten bestanddelen die in spiritus slijmachtig blijven. Weer oudere lossen niet meer op, doch zwellen in spiritus juist als lijm in water, terwijl de oudste geheel onoplosbaar zijn en door uitsmelten oplosbaar in olie gemaakt kunnen worden. Bij Manilla-copal kunnen we dit fraai demonstreren.

Bij het uitsmelten worden nu de moleculen stukgekraakt, waarbij vluchtige afbraakproducten ontstaan, die we als copalolie kunnen condenseren. Bij vele soorten copal is voor deze reactie een temperatuur van 300° tot 400° C nodig. Het is duidelijk dat het verlies bij deze hoge temperatuur hoog is. Het hars wordt hierbij donkerder en het is te begrijpen dat men overal naar methoden gezocht heeft om dit schadelijke uitsmelten te vermijden. Dit is echter tot op dit ogenblik (1938) niet gelukt.

Een gehele ommekeer trad in de lakfabricatie in, toen de in olie oplosbare kunstharsen op de markt kwamen. We moeten ons de fabricatie der kunstharsen zo voorstellen, dat we door chemische opbouw zulke moleculen maken, die met die van uitgesmolten copal overeenkomen. Daar we de gehele synthese in de hand hebben, hoeven we dus niet gelijk de natuur dit doet eerst te ver te gaan, doch maken de moleculen juist zo groot als nodig is.

De goede in olie oplosbare kunstharsen kunnen we dus met recht kunstmatige copallen noemen. Het is duidelijk dat bij het verwerken van deze kunstharsen het uitsmelten wegvalt en de lakfabrikant kan dus de harsen zonder verlies in olie oplossen, waartoe echter bij sommige kunstharsen ook nog temperaturen tot 260° en 300° C nodig zijn. De chemische eigenschappen zijn uiterst constant en men weet dus dat men met een bepaalde soort kunsthars steeds lakken met gelijk blijvende eigenschappen verkrijgt, terwijl die met natuurproducten steeds verschillend uitvallen.

nelf-lakfabriek
copaline-verf

De chemische industrie is er in geslaagd een tweede natuurproduct, en wel de cellulose, zodanig om te zetten, dat ze laktechnisch uitstekende eigenschappen verkregen heeft. Ook in cellulose hebben we een product met uiterst grote en lange moleculen en dus voorbestemd om goede, sterke en samenhangende laagjes te leveren, waarmede men het oppervlak van voorwerpen tegen uitwendige invloeden kan beschermen. Cellulose is echter in nagenoeg alle stoffen niet oplosbaar, alleen wel in een ammoniakale oplossing van koperoxyde. Deze oplossing levert draden (kunstzijde), geen lakachtige lagen. Door de cellulose in esters en ethers om te zetten, wordt ze in een zeer groot aantal oplosmiddelen oplosbaar en deze oplossingen leveren nu na het verdampen van het oplosmiddel uiterst taaie en sterke huidjes.

Ook caoutchouc was eigenlijk voorbestemd als lakmateriaal. Hier was de oplosbaarheid niet goed genoeg en eerst het invoeren van een grote hoeveelheid chloor in het caoutchoucmolecule gaf de mogelijkheid lakachtige oplossingen te maken. Dit chloorcaoutchouc geniet met recht een steeds stijgende belangstelling, daar het laklagen geeft, die chemisch uiterst bestendig zijn en bijvoorbeeld door loog en zuur nagenoeg niet aangetast wordt.

Tenslotte was de chemische industrie niet tevreden met het modificeren van natuurproducten en bouwde uit de eenvoudigste verbindingen, uit kalk en steenkool over het acetyleen en het ethyleen, stoffen op, die tot soortgelijke grote moleculen samengevoegd kunnen worden als de natuur ons in cellulose en caoutchouc ter beschikking stelde. Deze vinyl- en acrylzuurderivaten worden steeds verder ontwikke1d en de mogelijkheid bestaat dat de chemische industrie deze soort verbindingen in zo veel variaties kan maken, dat men hiermede lakken kan fabriceren, die aan absoluut alle voorkomende eisen aangepast kunnen worden. Ook hier grijpt de chemische industrie krachtig in om, waar de natuur ons reeds hier en daar in de steek laat, ook in de verre toekomst producten in voldoende hoeveelheid te leveren, waarmee ze aan de steeds stijgende behoefte van de bevolking kan voldoen.

Op het gebied van drogende olie is het succes van de chemische industrie nog tamelijk gering. Nog steeds is lijnolie, met lood-, mangaan- en cobaltzouten op bepaalde temperaturen verhit een ideaal bindmiddel voor verf. Ook enige andere oliën kunnen door toevoegen van siccatief tot drogen gebracht worden, bv. papaverolie, hoewel slechter dan lijnolie.

Met behulp van de Chinese houtolie is de laktechniek er in geslaagd producten te brengen, die werkelijk betere eigenschappen bezitten dan de van ouds bekende lijnolielakken. Juist op dit gebied was het succes van de kunstharsen voor het eerst 100-pcts, daar de natuurharsen in het algemeen niet of moeilijk met houtolie gecombineerd kunnen worden. Daar de Chinese olie niet in onbeperkte hoeveelheden beschikbaar is, zoekt men in de laatste jaren naar een olie, die deze geheel of gedeeltelijk kan vervangen en in de Oiticicaolie heeft men een zeer goed vervangmiddel gevonden.

Hiernaast is men er in geslaagd de niet drogende ricinusolie door chemische bewerkingen tot een drogende olie te maken en zodoende verdere hoeveelheden houtolie te vervangen.

De naaste toekomst zal wel leren of de industrie er werkelijk in slaagt een product te brengen, dat zo veelzijdig en zo goed is als de lijnolie.

Naast de doorschijnende lakken worden grote hoeveelheden verf gebruikt. Een verf bestaat uit een bindmiddel en een droge verfstof, het pigment. In enkele gevallen wordt een lak doorschijnend gekleurd, waartoe men dan kleurstoffen neemt die in de lak geheel oplosbaar zijn. Van de pigmenten verlangt men in het algemeen, dat ze zo onoplosbaar mogelijk zijn, om het zg. bloeden te verhinderen.

pieter-schoen-verffabrikant
Reeds in de alleroudste tijden heeft de mens gekleurde aarde gebruikt om zijn kunstzin te uiten. De tekeningen in de Spaanse en Franse holen werden in de rots ingekrast en de krassen werden met gekleurde aarde opgevuld. Hierop volgde vanzelf het versieren van wapens, van gebruiksvoorwerpen en tenslotte van woningen en van het eigen lichaam. Nog later volgde dan het kleuren, dus het verven van kledingstukken.

In het oude Egypte heeft men uit ongeveer 2830 voor Chr. muurschilderwerk gevonden, waarin reeds alle kleuren voorkomen, hetgeen reeds op een zeer ver gaande ontwikkeling in de verfbereiding wijst. Ook in het oude Babylon, in Ninivé, heeft men zeer fraai uitgevoerd schilderwerk gevonden.

De Grieken en de Romeinen kenden reeds een zeer groot aantal pigmenten en de kleurschakeringen op hun vazen en hun muurschilderwerken zijn niet veel minder fraai dan die waarover we tegenwoordig beschikken.

Voor wit gebruikte men krijt van Selinius, Melinum, een soort witte pijpaarde, witte aarde van Eretria, het Praerenium, een soort witte mergel en loodwit. Het loodwit werd vervaardigd door een stuk lood op de hals van een met azijn gevulde fles te leggen en het geheel met doeken dicht te binden.

Voor geel gebruikte men de gele oker, voor rood de zeldzame rode bolus en de Synopische aarde. Door verhitten van het rood maakte men een intensieve bruine verfstof. De duurste rode verfstof was het vermiljoen, dat door de Romeinse keizers bij voorkeur met goud gecombineerd werd.

Een meer bleekroode verfstof werd uit gips en een organische kleurstof gemaakt. Waarschijnlijk was dit meekrap, daar de Egyptenaren de meekrap ook stellig reeds gekend en verwerkt hebben.

Het Pommejaanse rood bestond uit ijzeroxyde en pijpaarde. Door het branden van gele oker maakte men ongeveer 350 jaar voor Chr. reeds een soort rode oker, juist als dit tegenwoordig nog uitgevoerd wordt. Verder kende men het geel-roode sandarach, een zwavelarseenverbinding, en het auripigment, die in mijnen door slaven en veroordeelden gewonnen werden. Verder wordt aan de Griekse schilders de uitvinding van menie door verhitten van loodwit toegeschreven.

Eerst in latere tijd leerde men het blauw kennen. Hiervoor stonden slechts enige zeer zeldzame mineralen ter beschikking. Het voornaamste blauwe pigment, bij de Grieken het Kyanos en bij de Romeinen het Caeruleum, bestond uit een soort ultramarijn, dat uit lazuursteen verkregen werd. Een deel van de onder deze naam gebruikte pigmenten bestond waarschijnlijk uit koperblauw.

Zeer vaak werd het Egyptische blauw gebruikt, dat door verhitten van kopererts, zand, kalk en soda verkregen werd. Het was dus eigenlijk een fijn gemalen blauw glas. Tenslotte verschijnt ook het Indische indigo, dat niet alleen voor het verven van weefsel, doch ook vooral als pigment gebruikt werd.

Als groene verfstof werd de ook nu nog bekende groene aarde gebruikt, verder kopergroen (malachiet) en groenspaan. Als zwart gebruikte men verschillende soorten roet en als allerfijnste zwarte verfstof gebrand ivoor.

Het tijdperk der alchimisten bracht een groot aantal gekleurde verbindingen, die men in de natuur niet vond. De vele onoplosbare zouten van de gekleurde metalen werden als verf geprobeerd en daar men chemisch niet in staat was de bruikbaarheid of de schadelijkheid hiervan te onderzoeken, was het mogelijk dat men eeuwen lang met de zo uiterst gevaarlijke koperarsenieten werkte. Pas de moderne chemie slaagde er in aan te tonen, dat het verblijf in vertrekken, die arseenverbindingen bevatten, schadelijk voor de gezondheid is. Zo zien we dat tot voor korte tijd pigmenten gebruikt werden, die alleen een goede kleur hadden, doch verder eigenlijk alleen slechte eigenschappen bezaten. Het is geen wonder dat deze zogenaamde chemische verven langen tijd in een slecht daglicht stonden en pas de moderne scheikunde is er in geslaagd, dit vooroordeel uit de weg te ruimen door uiterst zuivere en constante pigmenten in de handel te brengen, die door chemische omzetting verkregen worden. Dat de fabricatie van bijvoorbeeld loodwit en zinkwit steeds meer geperfectionneerd werd, is algemeen bekend. Het Amerikaanse Carbon Black dat door verbranding van aardgassen verkregen wordt, hoort tot de allerfijnste verfstoffen.

Terwijl men met de genoemde aard- en chemische verven ondanks de grote verscheidenheid toch slechts beperkt heldere en zuivere kleuren kan maken, kan men met behulp van de kunstmatige kleurstoffen, gewoonlijk anilinekleurstoffen genaamd, uiterst heldere, zuivere en kleurkrachtige verven maken. Deze fabricatie berust op het feit, dat een aantal kleurstoffen met metaaloxyden onoplosbare gekleurde verbindingen vormt, die dus als een soort zouten opgevat moeten worden.

Het klassieke voorbeeld van zulke verbindingen, die lakken genoemd worden, is de cochenillelak.

Men kookt de cochenille-insecten met een verdunde soda-oplossing gedurende ongeveer 2 uur, waarbij de kleurstof opgelost wordt. Nu voegt men zooveel 5-pcts aluin- en zuur-kaliumtartraatoplossing toe, tot er geen neerslag meer ontstaat. Voor het verkrijgen van de gewenste tint voegt men gewoonlijk nog een hoeveelheid vers neergeslagen aluminiumhydroxyde toe. Het neerslag wordt dan minstens 3 keer gewassen en voorzichtig gedroogd.

Op dezelfde wijze maakte men ook de fraaie lakkleurstoffen uit de meekrap, later door het kunstmatige alizarine met metaaloxyden om te zetten. Ook nog enige andere natuurlijke kleurstoffen vormden lakken, die echter slechts in kleine hoeveelheden gebruikt werden.

Eerst de uitvinding van de kunstmatige kleurstoffen maakte het mogelijk voldoende goedkope en toch fraaie onoplosbare kleurstofpigmenten te maken en wel in een bijna oneindig groot aantal schakeringen.

In het jaar 1856 vond de Engelse scheikundige Perkin het mauveïne uit (een violette kleurstof), door kaliumbichromaat op aniline, die hij uit steenkoolteer verkregen had, in te laten werken. In 1859 vond de Franse scheikundige Verguin het fuchsine en kort hierna vond de Duitsche scheikundige Hofmann een nieuwe violette kleurstof. Hierna kwam een blauw van Nicholson, methylviolet en methylgroen en anilinezwart. Terwijl men nog aan de bruikbaarheid van deze kleurstoffen kon twijfelen, en men in vele gevallen nog steeds de natuurlijke kleurstoffen beter vond, betekende de fabricatie van het kunstmatige alizarine een gehele omwenteling. Dit geschiedde gelijktijdig in Engeland en in Duitsch1and, door Perkin en door Graebe en Lieberrnann.

Gedurende de volgende tientallen jaren vond men steeds nieuwe kleurstoffen, die gewoonlijk ook spoedig daarna op de mogelijkheid onderzocht werden, hieruit een onoplosbare gekleurde stof, dus een pigment, te vervaardigen. Vooral de kleurstoffen, door diazoteren ontstaan, waren hiervoor uiterst goed te gebruiken. In de laatste jaren zien we dat deze groep pigmenten steeds verbeterd wordt en men kent op het ogenblik uiterst fraai gekleurde pigmenten, die een organische kleurstof bevatten, die veel bestendiger zijn dan een groot deel van de anorganische pigmenten en gewoonlijk alleen door enkele aardverven overtroffen worden. Hier moet bijvoorbeeld het heliogeenblauw genoemd worden.

verfmolen-de-duinjager
Verfmolen 'De Duinjager' te Zaandam
Eigenaardig is het feit, dat terwijl Engeland in het begin de eerste kleurstoffen fabriceerde, later Duitsland nagenoeg alleen de wereldmarkt van de kleurstoffen beheerste. Pas na de oorlog lukte het in Engeland een behoorlijke fabricatie van kleurstoffen en pigmenten op te bouwen. Met de lakindustrie was het echter juist omgekeerd.

Bij de fabricatie van organische pigmenten kan men de volgende groepen onderscheiden:

a. Zure kleurstoffen worden met een oplossing van bariumchloride of aluminiumsulfaat neergeslagen.
- Voorbeeld:
Aluminiumsulfaatopl. 18 % 112 dl
Watervrije soda 50 dl
Naphtolgroen B 34 dl
Bariumchloride 136 dl
Het aluminiumsulfaat wordt eerst in ongeveer 1000 dl water opgelost, de soda lost men in 500 dl heet water op. Hierna voegt men de soda-oplossing bij de aluminiumsulfaatoplossing. Het naftolgroen wordt in 1000 dl water opgelost en onder roeren bij de hete eerste oplossing gevoegd. Tenslotte mengt men deze oplossing met het bariumchloride, dat men te voren in 800 dl heet water opgelost heeft.
Het verkregen neerslag wordt gewassen, afgefiltreerd en gedroogd.

b. Basische kleurstoffen kunnen met een zure aarde, tannine of andere stoffen neergeslagen worden. Een typisch voorbeeld is het neerslaan van malachietgroen op groene aarde, waarbij de kleurstof niet alleen chemisch gebonden, doch ook geabsorbeerd wordt. Een goede groene aarde kan 4 tot 6 % kleurstof opnemen.

Men roert de groene aarde tot een dunne pap aan, lost de kleurstof in de 50-voudige hoeveelheid water op en mengt de beide bestanddelen onder goed roeren. Men roert zo lang tot de kleurstof geheel uit de oplossing verdwenen is. Het pigment wordt afgefiltreerd en gedroogd.

c. Resorceïnelakken worden met loodzouten gemaakt, ze bestaan dus uit het onoplosbare loodzout van de gebruikte oplosbare kleurstof.
Bariumsulfaat 200 dl
Eosine 5 dl
Loodnitraat 5 dl
Water ca.7000 dl
Het bariumsulfaat wordt met heet water tot een dunne pap aangeroerd en het eosine lost men in de dertigvoudige hoeveelheid water op. Het loodnitraat wordt in ongeveer 200 dl heet water opgelost. Nu mengt men onder goed roeren de kleurstofoplossing met het bariumsulfaat en voegt dan steeds onder goed roeren het loodnitraat toe. De gevormde onoplosbare kleurstof slaat nu op het oppervlak van de bariumsulfaatdeeltjes neer, waardoor de kleurkracht en dekkracht van de lak zeer goed zijn.
d. Onoplosbare azokleurstoffen ontstaan wanneer men een diazoverbinding van een aromatische stikstofverbinding met een naftol koppelt. De eenvoudigste van deze kleurstoffen is het para-rood.
Hiertoe maakt men eerst twee oplossingen:
I. B-naphtol 25 dl

Natronloog 38° Bé 25 dl

Water 200 dl

Turks-roodolie 5 dl
II. P-nitroaniline 22 dl

Heet water 120 dl

Zoutzuur 22° Bé 35 dl
Deze bestanddeelen worden eerst heet opgelost. Hierna laat men afkoelen en voegt toe, eerst:
IJs, fijn geslagen 200 dl
en tenslotte langzaam
Natronnitrietoplossing 29% 42 dl
Voor het maken van een pigment mengt men nu de naftoloplossing eerst met 500 dl fijn gemalen zwaarspaat (bariumsulfaat) en giet nu onder goed roeren de diazo-oplossing (opl II) bij de naftoloplossing en roert nog een half uur goed door. Het neerslag wordt afgefiltreerd en gewassen en tenslotte gedroogd.
e. Verder heeft men vooral in de laatsten tijd een groot aantal kleurstoffen leeren maken, die zelf geheel onoplosbaar zijn en dus direct als pigment gebruikt kunnen worden. Daar ze veel te sterk en ook veel te duur zijn, worden ze met goedkope niet dekkende stoffen als zwaarspaat en gips versneden, dikwijls ook met anorganische pigmenten met ongeveer dezelfde kleur gemengd. Hier dient de organische kleurstof dus eigenlijk om het minerale pigment mooier en beter te maken. Voorbeelden hiervan zijn heliorood en helio-oranje, hansa-geel en permanentrood.
Interessant is de modernste ontwikkeling van de kleurstoffen, waarbij men kleurstoffen gevonden heeft, die verregaand op natuurlijke kleurstoffen lijken, doch die men door verschillende groepen in te voeren in tint kan doen veranderen. Deze bevatten bepaalde metalen bijvoorbeeld koper, in het molecule zelf en gelijken dus op stoffen als bloedkleurstof en chlorophyl.

Siccatief voor kunstharslakken

A. Cobaltrecinaatoplossing:
Colophonium FG of WW 500 dl
Cobaltoxydulehydraat 65% 16 dl
Marmerkalkhydraat 15 dl
Laklijnolie 15 dl
Lakbenzine 500 dl
Het colophonium wordt gesmolten en op 200° C verhit. Bij deze temperatuur voegt men langzamerhand het cobaltoxydule toe en hierna wordt de temperatuur onder roeren tot 240°- 260° C verhoogd. De smelt wordt zo lang op deze temperatuur gehouden tot een druppel ervan op een glazen plaat afgekoeld, geheel helder doorschijnend is. Nu voegt men het marmerkalkhydraat toe en zodra dit geheel opgelost is, voegt men de lijnolie toe, laat afkoelen en verdunt bij 130° tot 150° C.
B. Lood-mangaan-resinaatoplossing:
Colophonium FG of WW 500 dl
Mangaanoxydehydraat 45% 10 dl
Loodglit 30 dl
Marmerkalkhydraat 15 dl
Laklijnolie 15 dl
Lakbenzine 500 dl
Het colophonium wordt op 210° C verhit en dan voegt men langzaam het mangaanoxydehydraat toe. De temperatuur wordt nu op 230°-240° C verhoogd en zo lang op 240° C gehouden, tot de smelt geheel helder is. Het loodglit maalt men fijn met de laklijnolie en voegt deze aan de smelt toe.
De temperatuur brengt men nu gedurende 15 tot 20 minuten op 270° tot 280° C, voegt het marmerkalkhydraat toe en verdunt bij 130°-150° C.

Als siccatief neemt men 2 dl van oplossing A en 1 dl van oplossing B.

eerste-sgravenhaagse-electrische-verffabriek
Eerste ‘s-Gravenhaagsche Electrische Verffabriek (1904 – 1969)

Hittevaste lakverf

Witte grondlak:
Paralac 200 I 30 dl
Paralac 285 X 13, 5 dl
Titaanwit, zuiver 16, 2 dl
Antimoonwit 16, 1 dl
Asbestine 8, 0 dl
Butylalcohol 8, 1 dl
Solventnafta 8, 1 dl
Eén uur bij 100° C moffelen.

Roze deklak:
Paralak 200 I 52, 2 dl
Paralak 285 X 13, 2 dl
Antimoonoxyde 11, 0 dl
Echt-scharlaken-lak 0, 8 dl
Butylalcohol 11, 4 dl
Solventnafta 11, 4 dl

Witte deklak:
Ureumhars U.F. 80
dl
Paralac 385 of 120 I 20
dl
Antimoonoxyde 40
dl
Titaanoxyde 40
dl
Trikresylfosfaat 40
dl
Xylol 120
dl
HEBBEN

Hfst.6 - Lakken, Verven & Beitsen
uit Mengen & Roeren deel 1:
Lakken, Verven & Beitsen 1
Lakken - Verven - Beitsen - Collodiumoplossing - Informatie
Lakken, Verven & Beitsen 2
Oplosmiddelen - Verdunners - Grondlak voor hout - Poriënvuller of Matlakpasta - Matlak - Politoerlak - Meubellak - Tegen alcohol bestand zijnde lak - Nitro-Japanlakken voor hout
Lakken, Verven & Beitsen 3
Metaallakken - Autolak grondverf - Zwarte autolak - Lederlakken - Bronslak - Kristallak - Nagellak - Paarlemoer-houtlak - Witte nitro-emaillak - Paarlemoerlak voor kunstbloemen - Paarlemoer-dompellak - Paarlemoer-emaillak - Nitrocellulose-rubberlak - Papierlak - Vliegtuigbespanningslak
Lakken, Verven & Beitsen 4
Olieverf - Olielak - Witte huisverf - Zwarte huisverf - Groene huisverf - Loodmenieverf - Zinkverfstof (roestwerend) - Witte verf voor binnen (mat, halfmat, glans) - voorstrijklak voor poreuze muren
Lakken, Verven & Beitsen 5
Vloerlakverf - Lakverf voor hout - Japanlak - Matte lakverf voor binnen
Lakken, Verven & Beitsen 6
Huisverf voor buiten - Amerikaanse voorschriften voor buitenverf - Zwarte moffellak - Black Varnish, Zwarte Lak, Zwarte IJzerlak
Lakken, Verven & Beitsen 7
Houtverf - Plastische verf in poeder - Waterverf - Silicaatverf - Cementwaterverf Koudwaterverf - Schellakoplossing - Kalkeiwitverf (wit) - Olie-emulsie voor waterverf - Kalkvaste lak - Suikergoedlak - Elastische schabloneerverf
Lakken, Verven & Beitsen 8
Gegalvaniseerd ijzer schilderen - Zwarte verf - Hitte aantoonende verf - Ultraviolet-verf - Lichtgevende verf - Siccatief - Witkalk (sneldrogend) - Witte lijmverf
Lakken, Verven & Beitsen 9
Afbijtmiddelen - Olielakken - Harde harslak - Vette harslak - Halfvette harslak - 4-urenlak - Vette harsesterlak - Halfvette harsesterlak - Zeer vette harsesterlak - Slijplak - Vloerlak
Lakken, Verven & Beitsen 10
Meubellak - Zuurvaste lak - Vette buitenlak - Jachtlak - Cobaltsiccatief - Mangaansiccatief - LoodmangaanresinaatIJsbloemenlak - Isolatielak - Loogvaste lakLak voor rubberschoenen - Lak voor betonsilo's - Boekbinderslak - Flesschenlak
Lakken, Verven & Beitsen 11
Harde spirituslak - Stroohoedenlak - Overdruklak - Vioollak - Water-schellakvernis - Matlak - Etiketten-matlak - Accaroid-matlak - Watervaste lak voor vischsnoer - Papierlak - Houtbeitsen - Poriënvuller - Oliebeits - Lakbeits - Het lakken van hout
Lakken, Verven & Beitsen 12
Slijpen van hout - Beitsen van zacht hout - Wasbeits - Chemische beitsen - Zuurvaste zwarte beits - Zwarte beits - Ebbenhoutbeits - Houtcarbolineum - Groen carbolineum - Donkerbruin carbolineum - Carbolineum voor pissoirs - Antiekvernis voor hout - Hout kunstmatig oud maken - Hout bleeken - Plastisch hout - Fixatief voor krijtteekeningen - Lak voor botervaatjes - Lak-emulsie
uit Mengen & Roeren deel 2:
Lakken & Verven - Siccatief voor kunstharslakken - Hittevaste lakverf (witte grondlak, roze- en witte deklak)
Lakken, Verven & Beitsen 14
Afbijtmiddel voor verf - Plastisch hout - Poriënvuller - Cellulosegrondlak voor hout - Polijstwater - Chloorcaoutchouc-menieverf - Gietijzer-plamuur - Autoplamuur - Accumulatorenlak - Venstercouvertlak - Scheepshuidverf - Scheepshuidverf tegen het aangroeien - Stearinepek-lak - Schoolbordenverf - Stopverf voor broeikassen - Daklak - Terpentijnolie-was - Waslak - Gekleurde daklak - Olievrije grondlak - Waslijm - Hoedenlak - Vuurvaste aluminiumverf - Vuurvaste zwarte lakverf - Vloerlak met oiticia-olie - Universeele lak - Buitenlak - Slijplak - Vloerlak met barnsteen
Lakken, Verven & Beitsen 15
Slijplak - Traanlak - Chassislak - Spirituslak-politoer - Meubelpolitoer - Meubel-nitrolak - Alkesit-kalkverf - Celluloselijm-plamuur - Synthetische stanslak - Olievrije meubellak - Synthetische moffellak - Moffellak voor benzinereservoirs - Lakplamuur - Etikettenlak - Witte lakverf voor ijzeren ledikanten - Cobaltresinaat - Witte moffellak - Mangaanresinaat - Mangaanoxydulehydraat - Loodresinaat - Linoleumcement - Linoleum-druklak - Linoleumlak
Lakken, Verven & Beitsen 16
Wasdoeklak - Vlug drogende lak met perilla-olie - Verfafbijtmiddel - Houtolielak - Zaponlak - Acetylcelluloselak - Benzylcelluloselak - Poriënvuller - Moffellak - Combinatielak voor hout - Combinatie-strijklak - Woodstainlak (matlak) - Nitro-plamuur - Bitrocellulose-moffellakken - Machineglazuur - Schilderslijm - Caseïneverf in poedervorm - Scheepshuidverf - Spinspoelenlak - Warm aanvoelende verf - Grafietverf - Zuur- en loogvaste verf - Combinatielak voor buitenwerk - Witte lakverf - Geraffineerde Kasselsche aarde - Waterbeits - Aniline-waterbeitsen voor hout - Water-wasbeitsen - Schellakbeitsen - Terpentijnolie-wasbeitsen

De inleiding is van belang voor het gehele boek, sla deze dus niet over
Inleiding

Belangrijk

Voorkom ongelukken!
Gevaarlijk vergiftige stoffen worden bij het recept aangegeven. Men mag echter nooit vergeten dat alle chemicaliën relatief gevaarlijk zijn. Na het werken met chemicaliën moet men dus in ieder geval de handen wasschen, gedurende het werk mag men met de handen niet aan de oogen komen. Bij het werken met brandbare vloeistoffen mag volstrekt geen vuur in het vertrek aanwezig zijn.

Aanvulling door vindikhier.nl
Beslist lezen!

Op deze website geven wij de oorspronkelijke tekst weer van het boek 'mengen en roeren, verschenen in 1936. Lees vooral de inleiding met onderwerpen als verwarmen (boven waterbad, ofwel au bain-marie) en andere veiligheidszaken. Gebruik beschermende kleding, handschoenen en veiligheidsbril bij het werken met gevaarlijke stoffen.
Sommige recepten of in recepten vermelde stoffen zijn wellicht in onbruik geraakt, niet meer verkrijgbaar, niet meer toegestaan of zelfs ronduit gevaarlijk.
Denk daarbij aan bijvoorbeeld asbest. Maar ook aan gevaarlijke stoffen als arsenicum en strychnine. Ga dus geen recepten namaken zonder kennis van zaken of met gevaarlijke of verboden stoffen. Met andere woorden:

'DON'T TRY THIS AT HOME'

Wij onthouden ons van iedere verantwoordelijkheid, met betrekking tot fouten in de informatie, eventuele schadelijkheid van vermelde stoffen en eventuele schadelijke gevolgen van het werken met deze stoffen of van het opvolgen van de recepten in dit boek. Ons motto is slechts: Laat oude kennis niet verloren gaan.




'Enjoy Life'








disclaimer | w3schools | GFDL | GoodFon.com | pixabay | pexels |pinterest | pxhere.com | unsplash.com
copyright © 2013 -
vindikhier.nl - all rights reserved
under construction